Trailer en leesfragment Trubbel de Trol

woensdag, 30 april 2014

Bestaat Trubbel de Trol?

Lees hier een fragment uit het nieuwe boek van Reggie Naus: Trubbel de Trol. Met illustraties van Kees de Boer.

“Heerlijk monsterboek voor achtplussers” – Bas Maliepaard in Trouw

Het Nevelwoud

De jeep reed over een rechte weg door een enorm bos. Pepijn staarde naar buiten. Af en toe naar links, af en toe naar rechts. Veel verschil maakte het niet. Aan beide kanten was niets anders te zien dan een eindeloze zee van groen.
‘Twintig minuten,’ zei zijn oudere zus Sanne.
Ze zat voorin naast haar vader. Op haar schoot zat haar kanarie in zijn kooi.
‘Wat bedoel je, twintig minuten?’ vroeg Pepijn vanaf de achterbank.
‘Zo lang geleden is het dat we voorbij een gebouw zijn gekomen,’ zei Sanne. ‘Komt er ooit nog een einde aan dat stomme bos?’
‘Ja, het is groot, hè?’ zei Mendert, hun vader. Hij grijnsde. ‘Heerlijk.’
Sanne zuchtte en keek naar haar kanarie. ‘Pietje vindt er ook niks aan. Hij wil terug naar de stad.’
‘Pietje vindt nergens iets aan,’ zei Pepijn. ‘Hij is de saaiste vogel van de hele wereld.’
‘Kibbel niet zo,’ zei hun vader. ‘Geniet liever van de omgeving.’ Hij keek in zijn autospiegel naar Pepijn.
‘Het Nevelwoud zit vol met wilde dieren. Ik heb gehoord dat de grote ijsvogelvlinder hier zelfs nog voorkomt. Weet je wel hoe zeldzaam die is?’
Pepijn en Sanne zuchtten tegelijk. Ze waren onderweg al vier keer gestopt. Omdat hun vader steeds maar dacht dat hij interessante beesten zag. Maar elk beest was al verdwenen zo gauw de auto stil stond. Mendert grijnsde. ‘Ze zeggen zelfs dat hier nog wolven en beren leven. Als je goed uit het raam kijkt, zie je er misschien wel een!’
‘Echt?’ riep Pepijn. ‘Gaaf!’ Hij ging op zijn knieën zitten en tuurde door het raam naar buiten. Voor wolven en beren wilde hij best stoppen.
‘Maar zijn die niet gevaarlijk?’ vroeg Sanne.
‘Valt wel mee,’ zei Mendert. ‘Alleen als ze honger hebben.’
Sanne tuurde bezorgd naar het bos. ‘Als je dat eerder had gezegd, was ik niet meegegaan!’
De familie was op weg naar Asborn, een klein dorp aan de rand van het Nevelwoud. Een jaar geleden was de moeder van Pepijn en Sanne overleden. Sinds die dag wist hun vader niet meer zo goed wat hij met zijn leven aan moest. Tot hij ergens las dat er een boswachter werd gezocht voor het Nevelwoud. Een perfecte baan voor iemand die zo dol op de natuur was als hij. Het was alleen een beetje jammer dat zijn kinderen er minder blij om waren. Ze hadden het prima naar hun zin in de stad.
‘Kijk!’ zei Mendert. ‘Zie je wel dat hier ook gebouwen staan?’
Sanne keek op. Ze reden tussen een paar huizen door.
‘Dit is…’ begon Mendert, maar voor hij zijn zin kon afmaken, hadden ze de huizen alweer achter zich gelaten. ‘Dit wás Asborn.’
‘Moeten we hier echt de rest van ons leven blijven?’ vroeg Sanne wanhopig. ‘Ik zag niet eens een winkelcentrum!’
‘Als je groot bent, mag je zelf weten waar je gaat wonen,’ zei Mendert.

 De jeep verliet de weg en reed een smal zandpaadje op. Sanne en Pepijn werden flink door elkaar geschud op het ruwe pad. Takken gleden ruisend langs de ramen.
‘En daar zijn we dan,’ zei Mendert. Hij remde af. Ze hadden het einde van het pad bereikt. Voor hen stond een oud houten huis, midden op een onverzorgd grasveld. Het was aan drie kanten omsingeld door een dicht bos. Naast het huis stond een vervallen schuur, bedekt met klimop.
‘Prachtig, toch?’ zei Mendert.
‘Ziet eruit als iets uit een griezelfilm,’ zei Sanne.
‘Gaaf !’ zei Pepijn. ‘Misschien zit er wel een vampier in de kelder!’
Ze stapten uit en liepen naar het huis.
Het was stil. Het enige geluid was het ruisen van de wind door de boomtoppen.
‘Eens kijken of de sleutel past,’ zei Mendert. Hij haalde een roestige sleutel uit zijn zak en stapte op de voordeur af. Toen hij de sleutel in het slot stak, klonk er een krakend geluid. De deur viel naar binnen en landde met een klap op de vloer. Een enorme stofwolk vloog naar buiten.
‘Nou,’ zei Mendert hoestend. ‘Ik geloof dat er nog een héél klein beetje onderhoud gedaan moet worden.’
Het was avond. Pepijn en Sanne zaten met hun vader aan de keukentafel. Gelukkig werkte de elektriciteit, zodat ze niet bij kaarslicht hoefden te eten. Al had Pepijn dat best gezellig gevonden.
Hij keek om zich heen. Eigenlijk was het helemaal geen verkeerd huis. Een stuk ruimer dan het rijtjeshuis waarin ze in de stad hadden gewoond.
Toen hun moeder nog leefde.
Het was nog warm buiten en de ramen stonden open. Af en toe vlogen er nieuwsgierige beestjes naar binnen.
‘Hé, kijk!’ zei Mendert opeens. ‘Een tapijtmot! Die zie je niet vaak!’ Hij stond op en liep achter het insect aan, dat door de huiskamer fladderde. ‘Zie je nou hoe interessant het hier is?’
Sanne haalde haar schouders op. Ze stond op en liep naar het aanrecht. ‘Ruim jij de tafel af,’ zei ze tegen Pepijn. ‘En gooi het vuilnis in die bak naast het huis. Dan was ik af.’
‘Dat beetje afval?’ zei Pepijn. ‘Gooi dat gewoon in de prullenbak.’
‘Die hebben we nog niet,’ zei Sanne.
‘Komt allemaal in orde,’ mompelde Mendert. Hij zat op zijn knieën en bekeek de mot met open mond. ‘Komen ze hier eigenlijk wel vuilnis ophalen?’ vroeg Sanne. ‘Of moeten we het in het bos begraven of zo?’
Mendert schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik moet het zelf naar het dorp brengen. Een keer per week, geloof ik.’
‘Het is hier wel een beetje eenzaam,’ zei Sanne.
Pepijn begon de borden naar het aanrecht te brengen. ‘Juist spannend!’ zei hij. ‘Als we
aangevallen worden door een moordenaar met een bijl, is er niemand in de buurt om ons te redden.’ Hij grinnikte toen hij zag dat zijn zus boos wilde worden, maar zich inhield.
Nadat hij de afwas op het aanrecht had gezet, pakte hij de halflege vuilniszak.
Hij deed de voordeur open en liep naar buiten. Daar stopte hij de zak in de stalen vuilnisbak die tegen het huis stond. Pepijn bleef even staan en keek om zich heen naar het donkere bos. Een beetje griezelig. Maar Pepijn hield wel van griezelig.
‘Hallo bos,’ zei hij hardop. ‘Ik hoop dat we goede vrienden worden.’
Hij trapte tegen een dennenappel die in het gras lag. De dennenappel vloog door de lucht en verdween in de bosjes.
Pepijn draaide zich om en wilde weer naar binnen gaan. Maar voor hij een stap kon zetten, vloog er opeens iets met een zachte bons tegen zijn hoofd. Geschrokken draaide hij zich om.
De dennenappel lag in het gras bij zijn voeten. Pepijn wreef over zijn achterhoofd en tuurde in de schaduwen tussen de struiken.
‘Hallo?’ riep hij. ‘Is daar iemand?’
Alles bleef doodstil.
Het moest een andere dennenappel zijn geweest. Uit een boom gevallen, ergens boven zijn hoofd. Hij keek omhoog. Het huis stond op een open plek in het bos en er waren helemaal geen takken boven hem. Alleen een zee van sterren in de nachtelijke hemel.
Opeens voelde hij zich niet zo op zijn gemak. Hij draaide zich snel om en ging naar binnen.

Verder lezen? Trubbel de Trol ligt nu in de boekwinkel.

Schrijf je in op de nieuwsbrief!

Wil je op de hoogte blijven van alle kinder- en jeugdboeken van Ploegsma, maar ook Leopold, Condor, Witte Leeuw en Zwijsen? Schrijf je dan nu in op de Kinderboekennieuwsbrief!

Sluiten Schrijf in!